nieuws

Een bedekte werkelijkheid

Arbeidsrecht

Een bedekte werkelijkheid

Kun je in een sollicitatiegesprek met iemand die een hoofddoek draagt vragen of ze bereid is die onder bepaalde omstandigheden af te doen, om redenen van representativiteit?

De p&o’er van dit notariskantoor legde de sollicitante uit dat de functie eisen stelt aan representativiteit, en informeerde in dat kader of ze onder alle omstandigheden haar hoofddoek wenste te dragen. Toen de procedure uitmondde in een afwijzing, schreef de sollicitante een brief waarin ze stelde dat ze niet was afgewezen om inhoudelijke redenen maar vanwege haar godsdienst. Intern volgde hierna een discussie tussen de maten van het kantoor. Ze bereikten de conclusie dat ze het dragen van een hoofddoek geen van allen als een probleem zien, ook niet om redenen van representativiteit, maar dat ze om inhoudelijke redenen niet willen tornen aan de afwijzing. Ze vinden het moeilijk te verdragen dat ze van discriminatie beschuldigd worden en vragen zich af hoe zich daartegen te verweren als de sollicitante hen aanklaagt.
In andere landen mogen werkgevers eisen dat hun werknemers zich neutraal kleden. De Nederlandse Commissie Gelijke Behandeling (CGB) gaat uit van een omgekeerde regel, die we kortweg kunnen omschrijven als: geen verboden, tenzij. Bij dat ‘tenzij’ kan men denken aan veiligheidseisen. Na aandrang vanuit het onderwijs onderschreef de CGB ook dat gezichtsbedekkende kledij (wat natuurlijk iets anders is dan een hoofddoekje) een goede onderlinge communicatie in de weg kan staan. Maar daarmee houdt het wel zo’n beetje op. Mensen die zich voor hun kledingkeuzes kunnen beroepen op religieuze eisen, vinden bij de CGB in beginsel gehoor.
Natuurlijk moet discriminatie vanwege godsdienst worden bestreden. Maar bij het beantwoorden van de vraag of daarvan sprake is, moet wel ruimte blijven voor nuance, anders dreigt het gevaar van sjabloonmatig gedrag, bij alle partijen. En dat is bijzonder jammer, want een van de gevolgen is dat de meeste werkgevers ‘op zeker spelen’ en het wel uit hun hoofd laten om bij sollicitaties dit soort vragen te stellen.
Zelf zouden we niet weten wat er aan te merken is op het soort gedachtewisseling waar deze p&o’er zich in begeven heeft, te meer omdat de afwijzing er los van staat. Toch moet ons juridische advies wel luiden dat ‘het kwaad’ (de indruk wekken dat de afwijzing te maken kon hebben met het dragen van het hoofddoekje) in juridische zin al is geschied, en dat men alleen nog kan proberen om via een nieuw gesprek met de sollicitante tot een vorm van de-escalatie te komen.

Reageer op dit artikel