nieuws

Is de werknemer wel of niet ontslagen?

Arbeidsrecht

Een monteur constateert dat hij ontslagen is, terwijl de werkgever zegt dat de opzegging met wederzijds goedvinden heeft plaatsgevonden. Bij wie ligt de bewijslast?

Is de werknemer wel of niet ontslagen?

Na een proefplaatsing met behoud van zijn WIA-uitkering krijgt een monteur een arbeidsovereenkomst voor zes maanden. Een maand na het ingaan van de overeenkomst geeft de werkgever in een gesprek aan dat hij niet goed functioneert. Hij mist kennis en heeft fysieke beperkingen. Volgens de werknemer is hij tijdens dit gesprek ontslagen, volgens de werkgever zijn de partijen met wederzijds goedvinden uit elkaar gegaan.

Enkele dagen later beroept de advocaat van de monteur zich op de nietigheid van het ontslag en geeft aan dat hij het werk wil hervatten. De werkgever deelt daarop mee dat de samenwerking tussen partijen in goed overleg is gestopt. Ook geeft de werkgever aan dat zij vergeefs contact heeft gezocht met de werknemer en dat deze daarna niet zelf contact heeft opgenomen om weer aan het werk te gaan. De werkgever beschouwt de arbeidsovereenkomst daarom als beëindigd. De werkgever geeft aan mee te willen werken aan een beëindiging van de arbeidsovereenkomst door middel van een vaststellingsovereenkomst. Mochten ze niet tot overeenstemming komen, dan wil de werkgever de monteur weer in dienst te nemen voor de resterende periode van het contract en verwacht zij hem weer op het werk.

De monteur geeft via de advocaat aan dat hij niet aan het werk gaat en ook niet ingaat op het voorstel tot het sluiten van een vaststellingsovereenkomst. De advocaat stelt er sprake is van een onregelmatig ontslag en dat de monteur recht heeft op een gefixeerde schadevergoeding. De werkgever reageert dat van een opzegging of ontslag op staande voet geen sprake is en dat zij de monteur heeft gevraagd het werk weer te hervatten. De monteur geeft daarop aan dat hij bereid is mee te werken aan beëindiging van de arbeidsovereenkomst met als vergoeding één maandsalaris. De werkgever deelt de monteur hierop mee dat hij op staande voet is ontslagen, omdat hij niet op het werk is verschenen.

Tip! Lees meer over rechtsmiddelen na opzegging in PW De Gids Vakbase

Wie moet onregelmatige opzegging bewijzen?

De monteur dagvaardt het bedrijf en vordert een gefixeerde schadevergoeding, omdat hij vindt dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst onregelmatig is. De kantonrechter wijst de vorderingen af. Volgens hem staat vast dat er een einde is gekomen aan de arbeidsovereenkomst en de werknemer moet maar bewijzen dat de arbeidsovereenkomst onregelmatig is opgezegd. De monteur gaat hierop in hoger beroep.

Het hof stelt eveneens vast dat de monteur moet bewijzen dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst onregelmatig is, want hij beroept zich op de rechtsgevolgen van de opzegging. De monteur verwijst naar jurisprudentie, waaruit zou blijken dat de bewijslast van de “beëindiging met wederzijds toestemming” op de werkgever rust. Maar deze jurisprudentie gaat uit van het voortduren van de overeenkomst en dat is hier juist niet aan de orde.

Tip! Lees ook Bij wij ligt de bewijslast bij ontslag op staande voet? in PW De Gids Vakbase.

Uit een van de brieven van de werkgever valt af te leiden dat het bedrijf ervan uitging dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden was beëindigd. In die brief staat het volgende: “Als eerste is dit stoppen van de samenwerking in goed overleg gebeurd, waarbij hij zelf mede aangaf dat het werk fysiek te zwaar was voor hem en dat hij zich daar ontzettend op had verkeken.”

Het bedrijf heeft de mogelijkheid opengelaten dat de monteur de beëindiging anders had opgevat en heeft hem meerdere keren de gelegenheid gegeven het werk te hervatten. In een van de brieven constateert de werkgever echter dat “ u op geen enkele wijze contact zoekt met ons om aan te vangen met het hervatten van zijn werkzaamheden (…) en derhalve beschouwen wij de door u aangegeven arbeidsovereenkomst als beëindigd. Wij beschouwen het negeren van het verzoek contact op te nemen als werkweigering.”

De monteur biedt aan om zijn stellingen te bewijzen door het horen van getuigen, maar het hof oordeelt na onderzoek dat deze getuigenissen niet relevant zijn. Het hof is evenals de kantonrechter van oordeel dat het onvoldoende aannemelijk is dat de arbeidsovereenkomst door de werkgever onregelmatig is opgezegd. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter. De monteur moet de proceskosten betalen.

Gerechtshof ’s Hertogenbosch
20-01-2015
ECLI:NL:GHSHE:2015:132

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels