nieuws

Mijn onbeduidende eenmansbedrijfje aan de keukentafel is nauwelijks een echt kantoor te noemen. Ik heb geen baas en geen ondergeschikten, geen systeemplafond, geen collega's die op woensdag met wijs-en middelvinger schalks de week ‘doormidden knippen', en geen koffieautomaat die tevens chocolademelk en tomatensoep verstrekt. Dat komt goed uit, want aan al deze typische kantoorattributen heb ik ook geen enkele behoefte.

Niet dat ik trouwens iets tegen kantoorbenodigdheden heb, integendeel. Ik ben dól op mooie vulpennen, scherpe scharen, onwrikbaar loodzware plakbandrolhouders, kalfslederen succesagenda's met maanstanden erin en kaartjes van Europa en een herinnering wanneer het Loofhuttenfeest is. Of sjiek schrijfpapier! Of zo'n grote, rood met zwart gemarmerde kartonnen map die je met lintjes dicht kunt binden! Een nietmachientje met ingelegd parelmoer! Een inktpotje van elpenbeen! Zo'n inktvloei van weergaloos biljartgroen papier als mijn opa had en ook zo'n jade doosje voor postzegels en precies zo'n mahoniehouten bureau met reepjes zegellak in het laatje en een bronzen art-deco bureaulamp erop. En dat er dan niemand zonder kloppen naar binnen mag.

Goed, ik draaf misschien een beetje door: die zegellak was behoorlijk brandgevaarlijk, kan ik me herinneren en is waarschijnlijk niet eens meer te koop. Inktpotjes staan maar in de weg, en in zo'n agenda schrijf ik toch nooit iets, dus daar heb ik óók niks aan. Maar een paar rollen plakband zouden inderdaad enorm van pas komen, plus een schaar en een goede nietmachine, en ook die postzegels, desnoods zonder doosje: om ondoorgrondelijke redenen zijn er nog steeds opdrachtgevers die mijn facturen per se per ‘snail mail' willen ontvangen.

Dit alles overdenkend toog ik afgelopen weekend naar ‘Staples'. Dat is hier in Amerika een grote keten van kantoorspullen, waar je alles kunt krijgen van printers tot punaises. Het woord ‘Staple' betekent dan ook zowel ‘nietje' als ‘iets waar altijd vraag naar is en dat daarom gestaag in grote hoeveelheden geproduceerd wordt'. Behoorlijk to the point dus, en tevreden begon ik mijn winkelwagentje vol te laden met de begeerde spullen. Zes rollen plakband mét loodzware houder, twee prima scharen, een pak houtvrij papier, en een elektrische nietmachine met ongeveer een miljoen nietjes. Bij het nabijgelegen postkantoor kocht ik bovendien honderd gangbare postzegels. Zo, nu zat ik voorlopig gebeiteld.

‘Wat heb je daar?' vroegen mijn kinderen toen ik thuis kwam, want ze rúiken zulke dingen.  ‘O niets' zei ik. ‘Saaie kantoorspullen'. Ik legde mijn tassen met aankopen zolang onder mijn bureau en verliet andermaal het pand om in de stad koffie te gaan drinken met een vriendin. Dat was een fatale fout, bleek toen ik twee uur later thuiskwam. Mijn kinderen hadden mijn buit uitgepakt, talloze vellen papier volgeschreven en-getekend en aan elkaar geniet met een stuk of honderdduizend nietjes. Vervolgens hadden ze met behulp van een buitensporig aantal meters plakband en de rest van het papier enkele tientallen grote, slordige ‘enveloppen' vervaardigd, en die stuk voor stuk volgeplakt met alle honderd postzegels. Ik wilde juist gaan krijsen en meppen toen mijn oog op zo'n enveloppe viel: ‘Voor mijn lieve mama' stond er. Ik maakte hem open, en er zat een tekening in waarin ik na enig turen  een lieveheersbeestje ontwaarde dat gearmd met een kameel op een zonnebloem een stuk taart zit te eten. ‘Mooi hoor, jongens' sprak ik van tussen opeengeklemde tanden. Ja, wat móet je?

Ach, nou ja. Ik kan die postzegels er altijd nog afweken. En wanneer heb ik nou helemaal  nietjes en plakband nodig? Flauwekul eigenlijk. Ik heb tóch geen echt kantoor.

Sylvia Witteman

Reageer op dit artikel