nieuws

Varkentje

Geen categorie

Sinds kort krijg ik bij de kassa in de supermarkt telkens een paar aluminium zakjes in mijn handen gedrukt: daar zit dan een poppetje of beestje in, minuscule plastic prulletjes, te klein om veilig te zijn voor peuters, en te kinderachtig voor het oudere grut. Tenminste, dat dacht ik.

Maar toen ik voor het eerst met die zakjes de supermarkt uitliep werd ik besprongen door een groepje opgeschoten jongens van een jaar of tien, in het voorgeschreven jeugduniform van laaghangende broek en bontkraag-jackje: ‘Mevrouw! Heeft u soms Toy Story?!’ sisten ze me toe. Ik toonde ze mijn glimmende buit, de zakjes werden uit mijn handen gegrist, en de jongens stortten zich op een volgend slachtoffer.

Ik was blij dat ik van die dingen af was, want ik kan me het debacle met de Wuppies en de Beesies nog goed herinneren: het hele huis was vergeven van die pluizige griezels, loerende oogjes keken mij aan vanaf ijskast, prullenbak, het stuur van de auto en de randen van kinderbedjes. Ook stikte de poes nog eens bijna in zo’n blauwe haarbal en nog steeds sta ik die ellendige gedrochtjes af en toe uit de groentela en het filter van de droogtrommel te vissen.

En nu zijn er dus die Toy Story-poppetjes. Opeens willen mijn kinderen weer mee naar Albert Heijn, om te voorkomen dat ik de felbegeerde speeltjes andermaal aan hangjongeren uit handen geef. En nu begrijp ik ook waarom Albert Heijn me dit aandoet: als die kinderen tóch mee boodschappen gaan doen, bemoeien ze zich ook krachtig met de aanschaf van broodbeleg, snoep, chips en frisdranken, zodat ik dagelijks vele euro’s duurder uit ben dan voorheen. Tot overmaat van ramp krijgen we voortdurend allerlei speeltjes dubbel, zodat de verlossende voltooiing van de collectie erg op zich laat wachten. ‘Nou heb ik wéér geen inktvisje…’ zucht mijn zoontje dan.

Volgens mij dóet Albert Heijn het er om. Of is er toch iets anders aan de hand? Gisteren stond ik weer af te rekenen in de supermarkt, en het kassameisje, een tenger, bleek kind met een hoofddoekje en ‘Farida’ op haar naambordje, greep al naar die zakjes. Maar ze gaf ze niet zómaar. Ze voelde er aan en kneep er in, legde er een paar opzij, voelde en kneep weer… ‘Wat doe je nou?’ vroeg ik verbaasd. Ze glimlachte betrapt. ‘Ik kan voelen welke er in zit. Ik spaar ze zelf ook…’ zei ze, opeens fel blozend. ‘Zelf hoef ik alleen nog een varkentje… maar m’n kleine broertjes wachten héél erg op een pinguïn en een dinosaurusje…’

‘Ik heb thuis twéé varkentjes’ sprak mijn zesjarig zoontje. Je mag er wel een hebben. Maar jij bent toch een moslim, dan ben je toch tégen varkens?’ Geschokt wou ik hem de mond snoeren, maar Farida begon te lachen. ‘Ik mag geen varkens éten, maar ik mag er wel naar kijken, hoor…en welke zoek jij?’ waarna ze net zo lang frommelde aan die zakjes tot ze het felbegeerde inktvisje te pakken had. Mijn zoontje straalde. ‘Ik breng het varkentje morgen voor je mee’, sprak hij. Terwijl we naar buiten liepen zwaaiden ze blij naar elkaar.

Heel even leek het leven eenvoudig, ja, bijna lieflijk.

 

Sylvia Witteman

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels