nieuws

Weekers: huidige substance-eisen bij belastingheffing volstaan

Geen categorie

Staatssecretaris Weekers van Financiën is van mening de Nederlandse ‘substance-eisen' met betrekking tot de belastingheffing van het internationale bedrijfsleven volstaan. Dit volgt uit een onderzoek die hij heeft laten verrichten naar aanleiding van een motie (van PvdA en GroenLinks) bij het Belastingplan 2012 die de Tweede Kamer in november 2011 had aangenomen.

Ongewenst gebruik mogelijk
In die motie werd van de veronderstelling uitgegaan dat de huidige substance-eisen niet zouden volstaan en ongewenst gebruik van belastingverdragen mogelijk is en dat dit ten koste gaat van de inkomsten van ontwikkelingslanden. De Tweede Kamer verzocht de staatssecretaris de substance-eisen tegen het licht te houden en de Kamer daarover te informeren. Aan dat verzoek heeft hij nu uitvoering gegeven.  

Begrip substance
De staatssecretaris stelt voorop dat ‘substance' geen zelfstandige wettelijke betekenis heeft en dat het daarom naar zijn mening als zodanig geen geschikt zelfstandig criterium is om verdragsmisbruik te bestrijden. De staatssecretaris geeft aan dat een zelfstandige (wettelijke) substance-eis zich slecht zal verhouden met ons nationale recht waarin de erkenning van het bestaan van een rechtspersoon ook niet afhankelijk is van substance-eisen. In het spraakgebruik wordt met substance doorgaans bedoeld dat een vennootschap voor haar activiteiten de daarvoor passende materiële activa en personele bezetting beschikt.

Belang van substance bij belastingverdragen
In de praktijk en met name bij de toepassing van (een aantal onderdelen van ) belastingverdragen speelt het begrip substance indirect toch een rol. Dit is het geval bij:

  • de vaststelling van het inwonerschap van een land. Het hebben van voldoende substance (zoals het hebben van een woonhuis, of de plaats van feitelijke leiding van een onderneming) kan ertoe leiden dat een persoon of lichaam inwoner is van één van de verdragsstaten en daardoor gerechtigd is tot toepassing van een belastingverdrag;
  • de vaststelling van het ‘beneficial ownership'. Belastingverdragen stellen in de praktijk nogal eens als voorwaarde dat degene aan wie het dividend, de rente of de royalty wordt uitbetaald ook de echte opbrengstgerechtigde (beneficial owner) moet zijn om in aanmerking te komen voor verdragsvoordelen. Bij dit laatste valt te denken aan de toepassing van een lager percentage bronheffing op deze uitkeringen.
  • de toepasbaarheid van twee specifieke anti-misbruikbepalingen in belastingverdragen: de bepalingen voor ‘limitation on benefits' en de ‘main purpose test'.

Verrekenprijzen
Substance speelt ook een rol bij het bepalen van (zakelijke) verrekenprijzen. Het arm's length-beginsel is hierbij het uitgangspunt. Dit beginsel houdt in dat verbonden vennootschappen met elkaar worden geacht te handelen tegen zakelijke prijzen: marktprijzen. Het beginsel leidt ertoe dat aan een vennootschap slechts die winst kan worden toegerekend die overeenkomt met de door deze vennootschap uitgeoefende functies, gelopen risico's en gebruikte activa. Volgens de staatssecretaris kunnen substance-eisen hierbij voldoende betrokken worden om verdragsmisbruik tegen te gaan.

De resultaten van het onderzoek dat de staatssecretaris heeft laten uitvoeren, heeft hem gesterkt in zijn oordeel dat Nederland internationaal niet uit de pas loopt met de wijze waarop de substance van bedrijven bij de toepassing van verdragen wordt betrokken.

(Bron: Ministerie van Financiën)

Reageer op dit artikel