nieuws

Interview Ton Wilthagen, arbeidsmarktprofessor

Instroom

Zo alert als we zijn op eilandjes binnen organisaties, zo voortvarend moeten we ook de schotten tussen bedrijven en branches aanpakken. De crisis dwingt tot onorthodoxe maatregelen, aldus arbeidsmarktprofessor Ton Wilthagen, wil Nederland zichzelf niet uit de markt prijzen. ‘Straks bepaalt niet meer de overheid wat er moet gebeuren, maar bedrijven onderling.’

Drie jaar geleden hield u in IntermediairPW een pleidooi voor flexicurity (een flexibele arbeidsmarkt in combinatie met nieuwe zekerheden als werk en scholing, red.). U heeft het concept zelf ontwikkeld en ervoor gelobbyd. Is er iets bereikt?
‘De Europese Raad heeft eind 2007 gezamenlijke beginselen vastgelegd over flexicurity. Door middel van benchmarking, best practices en opleidingsfondsen wordt het binnen Europa uitgerold. Door de crisis zijn werknemers echter angstiger geworden om nieuwe stappen te nemen op de arbeidsmarkt. De overheid heeft erop gereageerd door allerlei maatregelen, zoals de deeltijd-WW, te nemen die vooral de interne flexibiliteit vergroten en mensen helpen die al een contract bij een bedrijf hebben.
‘In drie jaar tijd zijn er behoorlijk wat groepen buiten de boot gevallen. Dat zijn enerzijds de oudere werknemers. Maar daarnaast is vooral de flexibele schil hard geraakt: uitzendkrachten, zzp’ers en daarna de mensen met een tijdelijk contract. Tegelijkertijd groeit die schil nog steeds. Het probleem met uitzendkrachten en zzp’ers is dat er weinig of niet in ze wordt geïnvesteerd, omdat ze buiten de cao van de sector vallen. Als dit zo doorgaat, krijg je een laagwaardige economie. In Portugal moeten bedrijven die flexibele groepen inzetten aan scholing van deze mensen werken. Dat vind ik een heel goed voorbeeld.’

De politiek staat nu even stil tot een volgend kabinet. Hoe schadelijk is dat voor de arbeidsmarkt?
‘Aan de ene kant is het heel lastig dat het kabinet niet kan handelen. Anderzijds is het ook een bezinningsmoment. Het was natuurlijk toch een zotte situatie dat het kabinet geen visie had, en eerst werkgroepen liet nadenken en daarna pas een visie erbij wilde plakken. De verschillende visies kunnen nu aangescherpt worden zodat er straks duidelijke keuzes komen. Maar het is de vraag of we een vooruitziend kabinet krijgen.’

Waar gaat uw voorkeur naar uit?
‘Ik ben vooral voor een politiek die niet op angst is gebaseerd en een vooruitgangsgeloof heeft. Overal gevaren in zien en de grenzen dichthouden is een doodlopende weg, en zou desastreus voor ons land zijn. Nederland is een open economie en samenleving, en we moeten het daar ook van hebben. Ik praat met veel politieke partijen, werkgevers en vakbonden over hoe de arbeidsmarkt eruit zou moeten zien. Maar ik ga me nu niet voor één partij uitspreken, want dan ben ik niet meer onafhankelijk.’

De PvdA kwam onlangs met een voorstel om mensen met een lagere opleiding meer ontslagbescherming te bieden dan mensen met een hogere opleiding. Goed plan?
‘Dat vind ik juist fout denken. Daarmee reduceer je ook de kansen dat deze mensen worden aangenomen. Werkgevers hebben al koudwatervrees, en hiermee vergroot je hun risicoaversie alleen maar.’

Wat zou het nieuwe kabinet moeten doen? Het ontslagrecht aanpakken?
‘De sociale partners moeten eerst hun verantwoordelijkheid nemen, want het duurt nog wel even voordat we een nieuw kabinet hebben. Ze moeten een nieuw sociaal akkoord afsluiten en er ook de outsiders op de arbeidsmarkt bij betrekken. Dat is ook in hun eigen belang. De vakbonden hebben anders geen leven meer als de babyboomers binnenkort massaal gaan uitstromen. En tegelijkertijd moeten ze ook nieuwe standpunten opnemen over pensioen, ontslag en loonmatiging. We moeten het nu eenmaal van de export hebben.’

Het ziet er niet naar uit dat ze die verantwoordelijkheid nemen. De bonden steggelen bijvoorbeeld over de verhoging van de AOW-leeftijd.
‘Uiteindelijk zijn ze daar niet tegen. De leeftijd zal omhoog moeten, daar is geen twijfel over mogelijk. Er is een flexibele AOW nodig waarbij mensen tussen de 62 en 67 jaar met pensioen kunnen gaan. In landen die ons zijn voorgegaan, zoals de Scandinavische landen, bestaat die flexibele mogelijkheid. Maar in Nederland willen ze ook het bedrijfspensioen op 67 stellen.
‘Ik wil geen ingewikkelde zware beroepen-regeling. Dat is een exercitie waar je niet uitkomt. Minister Donner wil dat mensen na dertig jaar in een zwaar beroep ander werk krijgen, maar het probleem is dat mensen niet meer dertig jaar in dienst zijn van dezelfde werkgever. Dat betekent dat mensen een soort houdbaarheidssticker op hun rug krijgen. Als ze al 25 jaar in een zwaar beroep zitten, durft zo’n nieuwe werkgever het niet meer zo snel aan. Bovendien is het heel moeilijk om zware beroepen te definiëren.’

U houdt van creatieve oplossingen. Mensen in de WW zouden moeten worden omgeschoold tot duurzaamheidsadviseur of bewegingspecialisten in de kinderopvang, schrijft u in uw nieuwe boek.
‘Dit zijn proefballonnetjes die ik bedenk omdat er een gat zit tussen de deeltijd-WW en het massaontslag. Ik zoek altijd naar combinaties. Mijn angst is dat er niets gebeurt met de grote groep mensen die nu in de bijstand en WW terechtkomen. Het probleem is dat er nu meer mensen instromen en er minder budget is. Dat wordt de komende tijd alleen maar erger. Reintegratietrajecten zijn vaak niet effectief. Het gevaar is dat iedereen zich blindstaart op deeltijd-WW, die vooral het signaal afgeeft: blijf zitten waar je zit en verroer je niet. En de focus is dan op de mensen die al de beste papieren hebben omdat ze al een baan hebben. Bedrijven die gebruikmaken van deeltijd-WW zouden bijvoorbeeld ook scholing kunnen geven aan werklozen of Wajongers. In een aantal bedrijven stelt de scholing niet veel voor en weet men ook niet goed wat ze nog meer kunnen doen.
‘Ik vind het instrumentarium nu te beperkt en pleit voor een detacheringsregeling met een terugkeeroptie. In het onderwijs en de zorg is er nog een grote vraag naar personeel. Laat mensen proefwerken, in plaats van dat ze de fabriekshal moeten verven en wachten tot de economie weer aantrekt. Het probleem is dat elke sector een eigen scholingsfonds heeft. Door die schotten komen die proefplaatsingen niet snel van de grond.’

Hoe kunnen p&o’ers vormgeven aan flexicurity?
‘Er zijn al allerlei instrumenten, zoals POP en coaching, maar die instrumenten worden nog te weinig gebruikt of zijn te vrijblijvend. Werknemers zouden iedere vijf jaar een employability-scan moeten krijgen, dat gaat verder dan een POP. Kijk naar wat mensen in de toekomst kunnen doen, binnen en buiten het bedrijf. Het betekent dat p&o’ers buiten de muren van het eigen bedrijf moeten kijken, maar er is nog veel schroom omdat anderen het ook nog niet doen. In vergelijking met veel andere landen heeft Nederland echt een schottencultuur. Binnen en tussen bedrijven.
‘In het mkb is die samenwerking al helemaal nodig. Je kunt niet meer binnen één bedrijf flexibiliteit en zekerheid bieden, daar heb je andere werkgevers bij nodig. In sommige regio’s ontstaat dat al. Rondom Hardenberg hebben 23 bedrijven een transfercentrum opgericht om te voorkomen dat mensen werkloos worden. En in Tilburg hebben we het voorbeeld van zorgverzekeraar CZ en attractiepark Efteling. Het park is nu het hele jaar door open, maar toen het nog ’s winters gesloten was, gingen lange tijd medewerkers van Efteling tijdelijk naar CZ om de drukte rondom de nieuwe polissen op te vangen. Dat zijn onverwachte combinaties, maar ze werken wel. Zo creëer je werkzekerheid.’

Wat moet er nog meer veranderen?
‘In Frankrijk kun je eenvoudig in dienst zijn van meerdere bedrijven. Als je de arbeidsvoorwaarden op elkaar afstemt, kan dat hier ook gemakkelijker. De concurrentie- en relatiebedingen zijn echt iets van de oude tijd, die moeten weg. Bedrijven moeten zien dat ze daar een belang bij hebben. Zeker binnen een afgebakende regio pluk je daar de voordelen van. Dan is het niet meer de overheid die bepaalt wat er moet gebeuren, maar zijn het de bedrijven onderling. Dat is de toekomst.
‘P&o’ers zouden ook het ePortfolio moeten omarmen. Hiermee kunnen werknemers hun competenties digitaal verzamelen en aan anderen laten zien. Die informatie gaat dieper dan het traditionele cv, omdat het ook aangevuld wordt met wat mensen buiten hun werk doen. Scholen willen dat ePortfolio wel meegeven, maar nu moeten de bedrijven er nog aan. Bovendien moet de overheid ervoor zorgen dat de systemen compatibel zijn, want er circuleren nu allerlei verschillende versies.’

U maakt deel uit van de SER-commissie die zich bezighoudt met de positie van jongeren op de arbeidsmarkt. Wat kan hier anders?
‘Er wordt nu zoveel bepaald voor jongeren, maar zij praten bijna nergens echt mee. Terwijl ze straks wel de lasten van de vergrijzing dragen. Ik zou er voor zijn om de jongeren die schaarser worden beter te belonen en het inkomen van oudere werknemers niet elk jaar omhoog te laten gaan. Er nog steeds zijn vind ik niet zo’n prestatie. Bovendien hebben zij door hun levensfase eerder minder nodig, terwijl werknemers met jonge kinderen juist de hoge lasten hebben.’

U heeft een gezin met drie kinderen. Hoe combineert u dat?
‘Ik werk rond de zestig uur per week, met uitschieters naar boven. Dat kan omdat mijn partner veel minder uren werkt dan ik. Gelukkig woon en werk ik in dezelfde stad. Binnen tien minuten ben ik thuis en ik ben erbij op de belangrijke momenten, zoals morgen op de verjaardag van mijn dochter. Bovendien kan ik ook thuiswerken als ik dat wil. Dat is lang niet overal mogelijk. Het zit dikwijls wel in de cao, maar bedrijven faciliteren het nog niet. Als modern land zijn we daar vaak nog ouderwets in. Als er niets verandert, blijven er mensen weglopen. Ook in de politiek. Je zult iets aan de setting moeten doen om dat te voorkomen.’ ..

Ton Wilthagen (49) is hoogleraar Institutionele en juridische aspecten van de arbeidsmarkt. Daarnaast is hij directeur van het onderzoeksinstituut Reflect aan de Universiteit van Tilburg. Ook is hij adviseur van de Europese Commissie, maakt hij deel uit van SER-commissies over sociale innovatie, en is hij bestuurslid van de Stichting ePortfolio Support (StePS). In zijn in januari uitgekomen boek Over de arbeidsmarkt gesproken; Voorstellen voor vernieuwing en verandering geeft hij zijn opinie over onderwerpen als de deeltijd-WW, de AOW en de bestrijding van de crisis.
Wat was vroeger zijn droombaan? ‘Als klein jongetje dacht ik dat ik in de Tweede Kamer wilde. Maar toen ik eenmaal ging studeren, werd het de wetenschap. Tegelijkertijd heb ik die maatschappelijke belangstelling gehouden. Vanuit deze rol kan ik ook behoorlijk wat doen. Bovendien voel ik me vooral Europeaan. Ik zou me misschien eerder sterk maken voor de Europese politiek.’

Reageer op dit artikel