nieuws

Geen ‘race to the bottom’ bij multinationals

Organisatie & Strategie

Geen ‘race to the bottom’ bij multinationals

Internationaal opererende bedrijven zijn in hun personeelsbeleid niet losgeslagen. Zij moeten nog steeds rekening houden met andere partijen, zoals nationale overheden en vakbonden, bij het vormgeven van hun beleid.

Dat stelt Sander Quak in zijn onderzoek ‘Transnational firms and their corporate labor policy. Case studies on Philips and ING in the Netherlands and the United States, 1980-2010'. Hij promoveert op donderdag 28 juni 2012 aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Na de economische crises van de jaren '70 namen westers overheden beperkingen op internationale handel en investeringen weg. Veel ondernemingen maakten gebruik van de mogelijkheden die dit bood en breidden hun activiteiten buiten de eigen landsgrenzen uit. Zij werden hierdoor, in termen van aantal werknemers, omzet en winst, minder afhankelijk van individuele landen en nationale economieën.

Een populaire verwachting is dat deze economische globalisering ervoor zou hebben gezorgd dat transnationale ondernemingen volledig ‘losgeslagen' zouden zijn geraakt van de individuele landen waarin zij opereren, wat zou leiden tot een 'race to the bottom'. Quak concludeert dat dat niet waar is. Met betrekking tot hun personeelsbeleid zijn multinationals zowel ingebed in de wereldwijde markten als in de landen waarin zij opereren.

Gedeeltelijk is het personeelsbeleid wel gecentraliseerd op het internationale hoofdkantoor en geldt dus voor alle vestigingen in alle landen. Ondernemingen moeten bij de vormgeving van hun personeelsbeleid rekening houden met deze duale inbedding en dit beleid aanpassen aan de condities op zowel het nationale als het transnationale niveau.
Quak signaleert wel een scheiding in het beleid. Voor de hogere werknemers geldt vaak transnationaal beleid, terwijl de het personeelsbeleid voor lagere werknemers vaak vooral op nationaal niveau wordt gemaakt.

 

 

Reageer op dit artikel