nieuws

Werknemer ontkent ontslag op staande voet [rechtspraak]

Arbeidsrecht

Een salesmanager wordt op staande voet ontslagen. De volgende dag meldt hij zich ziek en ontkent ooit een ontslagbrief te hebben gekregen. Wat nu?

Werknemer ontkent ontslag op staande voet [rechtspraak]

De werknemer is op 1 november 2016 begonnen als salesmanager bij een bedrijf dat bruggen verkoopt. Zijn tijdelijke contract wordt een half jaar later verlengd. Maar daarna lopen de meningen uiteen. Volgens de werkgever is er sprake van een contract voor bepaalde tijd dat op 1 mei 2018 afloopt. De werknemer houdt het op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Hoe het ook zij, de datum van 1 mei wordt niet gehaald. Op 6 februari 2018 wordt de werknemer op staande voet ontslagen. Althans, dat zegt de werkgever. De werknemer zegt van niets te weten en sommeert in juli 2018 zijn werkgever het achterstallige loon te betalen. Wanneer deze weigert, stapt de werknemer naar de kantonrechter.

Spoedeisend belang

Voor een voorziening in kort geding moet er sprake zijn van een spoedeisend belang. Aangezien de werknemer sinds 7 februari geen loon meer heeft ontvangen, erkent de kantonrechter dat dat hier het geval is. Dat wil niet automatisch zeggen dat de werknemer zijn vermeende achterstallige loon ook kan incasseren.

Leestip!

Leestip!

Belangenafweging

De kantonrechter stelt vooraf dat terughoudenheid gepast is wanneer het gaat om  een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom. De kantonrechter moet ten eerste beoordelen of het voldoende aannemelijk is dat de werknemer een claim heeft op zijn werkgever.

Ten tweede moet de kantonrechter rekening houden met de belangen van alle partijen. Aan de ene kant is daar het recht op levensonderhoud van de werknemer. Maar wat als er in een latere bodemprocedure, waarin meer ruimte is voor bewijsvoering dan in een kort geding, wordt geoordeeld dat het geld ten onrechte is toegekend? Hoe groot is dan de kans dat de werknemer dat bedrag kan terugbetalen aan zijn voormalige werkgever?

Op staande voet ontslagen

Zo ver komt het in dit kort geding niet. De kantonrechter vindt dat de werkgever het bestaan van het ontslag op staande voet voldoende weet te onderbouwen. De directeur heeft het ontslag besproken met een medewerker en samen met hem de ontslagbrief opgesteld. Met zijn tweeën zijn ze vervolgens naar het huis van de ontslagen werknemer gegaan en hebben de brief in de brievenbus gestopt.

Een tweede werknemer verklaart dat de ontslagen werknemer diezelfde dag naar het bedrijf is gekomen en zijn sleutels heeft ingeleverd omdat hij die nu toch niet meer nodig zou hebben.

Afhankelijkheidsrelatie

De werknemer trekt de verklaringen van zijn oud-collega’s in twijfel: zij staan immers op de loonlijst van de werkgever en hebben dus reden om niet eerlijk te zijn in hun verklaringen. De sleutels zou hij al in januari 2018 hebben ingeleverd omdat hij op vakantie ging.

De kantonrechter ziet geen reden om aan de woorden van de directeur en de werknemers te twijfelen. Weliswaar hebben de werknemers een afhankelijkheidsrelatie ten opzichte van hun werkgever, maar dat wil nog niet zeggen dat ze bereid zijn voor hem te liegen in de rechtszaal.

Hoger beroep

Nu zijn eis door de kantonrechter is afgewezen, gaat de werknemer in hoger beroep. Maar ook bij het gerechtshof in ‘s-Hertogenbosch krijgt hij nul op het rekest. Ook het hof is van oordeel dat de kans van slagen van een loonvordering in een daartoe te voeren bodemprocedure niet dermate groot kan worden ingeschat dat het gerechtvaardigd is om de eisen van de werknemer toe te wijzen.

De werknemer moet de proceskosten in hoger beroep betalen.

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | ECLI:NL:GHSHE:2019:413 (Hoger beroep)
Rechtbank Zeeland-West-Brabant | ECLI:NL:RBZWB:2018:6019 (Eerste aanleg)

Reageer op dit artikel