nieuws

Geld besparen op ontslag is dure grap [rechtspraak]

Arbeidsrecht

Een noodlijdend bedrijf ontslaat een bedrijfsleider die er niet in slaagt om het financiële tij te keren. Dat komt de werkgever duur te staan, want in de arbeidsovereenkomst is geen tussentijds opzegbeding opgenomen.

Geld besparen op ontslag is dure grap [rechtspraak]

De werkgever heeft hooggespannen verwachtingen van de werknemer wanneer deze in februari 2019 met zijn klus als bedrijfsleider/vertegenwoordiger begint. Het bedrijf maakte in 2017 nog een kleine winst, maar in 2018 dook het in de rode cijfers. De nieuwe werknemer moet er snel voor zorgen dat het bedrijf weer floreert. Snel is hier ook echt snel: minder dan twee weken later staat de bedrijfsleider al weer op straat omdat hij de verwachtingen niet waar kan maken. En wie heeft er dan tijd voor formaliteiten zoals een proeftijd of een tussentijds opzeggingsbeding?

Lees ook: Tussentijdse opzegging

Geen tussentijds opzeggingsbeding

Hoewel de bedrijfsleider vrijwel direct een andere baan vindt, legt hij zich toch niet neer bij het ontslag. In de arbeidsovereenkomst – die is afgesloten voor de duur van zes maanden – is geen proeftijd- of tussentijds opzegbeding opgenomen.Hij stapt naar de kantonrechter en eist een gefixeerde schadevergoeding van € 15.000,00 bruto wegens onregelmatige opzegging en een billijke vergoeding van € 2.500,00 bruto.

Leestip!

Leestip!

Voor de rechter

In juni 2019 staan de partijen voor de rechter. Liever gezegd, de werknemer staat voor de rechter. De werkgever komt niet opdagen en laat zich ook niet vertegenwoordigen door een gemachtigde. De kantonrechter moet het dus doen met een eerder ingediende verklaring van de werkgever.

De eis van de werknemer is helder. In de arbeidsovereenkomst is geen tussentijds opzeggingsbeding opgenomen. Het ontslag was dus onregelmatig en daarom heeft hij recht op een schadevergoeding.

De werkgever heeft daarop geantwoord dat de werknemer de hooggespannen verwachtingen niet waar heeft kunnen maken. Om financiële redenen heeft de werkgever daarom direct een einde gemaakt aan het dienstverband. Door de slechte financiële toestand van het bedrijf, zegt de werkgever geen enkele vorm van ontslagvergoeding te kunnen betalen.

Oordeel van de kantonrechter

De werkgever ontkent niet dat er in de arbeidsovereenkomst geen tussentijds opzeggingsbeding is opgenomen. Door de werknemer toch van de ene op de andere dag te ontslaan, heeft de werkgever zich schuldig gemaakt aan ernstig verwijtbaar handelen.

Lees ook: Goed werkgeverschap, wat is dat eigenlijk?

Gefixeerde schadevergoeding

In artikel 7:677 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek staat dat de partij die een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tegen de regels tussentijds opzegt, de tegenpartij een schadevergoeding moet betalen. Deze vergoeding is gelijk aan het loon dat zou zijn betaald wanneer de arbeidsovereenkomst van rechtswege was geëindigd. In dit geval was de arbeidsovereenkomst gesloten voor de duur van zes maanden. De werkgever moet daarom een gefixeerde schadevergoeding betalen van € 15.000 bruto.

Ernstig verwijtbaar handelen

Omdat de werkgever zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig verwijtbaar handelen, vindt de kantonrechter dat ook een billijke vergoeding op zijn plaats is. Hierbij houdt hij rekening met verschillende aspecten. Omdat de werknemer direct een andere baan heeft gevonden, heeft hij door het onregelmatige ontslag geen inkomensschade geleden. Er was vrijwel direct onvrede over het functioneren van de werknemer. Het was daarom wel duidelijk dat de arbeidsovereenkomst na zes maanden niet zou worden voortgezet. Hier werd dus geen langdurige carrière gefnuikt.

Lees ook: Arbeidsovereenkomst: welke mogelijkheden heeft een werkgever?

Billijke vergoeding is geen straf

De billijke vergoeding is niet bedoeld als straf voor een werkgever. De Hoge Raad heeft echter eerder wel in een vonnis gesteld dat de billijke vergoeding mede tot doel heeft de werkgever te doen inzien dat zijn handelen niet juist is geweest. Die preventieve werking vindt de kantonrechter hier op zijn plaats. Hij kent daarom de gevraagde vergoeding van € 2500 bruto toe. Over beide vergoedingen moet de werkgever de wettelijke rente betalen.

Daarnaast draait de werkgever op voor de kosten van de procedure.

Rechtbank Limburg | ECLI:NL:RBLIM:2019:6397

Vond u dit artikel interessant? Mis niets en maak nu een gratis PW. profiel aan! De voordelen:

  • Het laatste nieuws, actualiteiten en achtergronden
  • Need to know juridische informatie
  • Door gerenommeerde auteurs geschreven
  • Voor HR-professionals die meer willen weten

Profiel aanmaken >

Reageer op dit artikel