artikel

Zo draagt het pensioenstelsel bij aan ongelijkheid

Instroom

In ‘Hoe goed werkt Nederland?’ geven Frank Tros, Maarten Keune en Wike Been inzicht in de belangrijkste actuele ontwikkelingen op de Nederlandse arbeidsmarkt. Een rode draad is ongelijkheid als sociaal en arbeidsmarktvraagstuk. Die ongelijkheid komt onder meer tot uiting bij aanvullende pensioenen.

Zo draagt het pensioenstelsel bij aan ongelijkheid

De sociale partners spelen duidelijk nog steeds een grote rol bij het vormgeven van pensioenen in Nederland. Dit geldt in grotere mate voor de tweedepijlerpensioenen, waarbij sociale partners in bedrijfstakpensioenfondsen zowel de inhoud van de pensioenregelingen bepalen als in het bestuur van de meeste fondsen vertegenwoordigd zijn. Ook geldt het voor de eerstepijlerpensioenen, waar achtereenvolgende regeringen hun uiterste best doen de sociale partners te betrekken bij het vormgeven van de hervormingen.

Initiatief bij de staat

Desalniettemin liggen de macht en het initiatief bij de staat: zij bepaalt – al dan niet via DNB – de speelruimte van de sociale partners door het stellen van wettelijke kaders omtrent fiscaal gefaciliteerde pensioenopbouw, eisen aan het bestuur en eisen aan het vermogensbeheer. Aanpassingen in deze wettelijke kaders hebben de afgelopen jaren de rol van de sociale partners niet veranderd, maar wel in enige mate hun vrijheid en invloed beperkt. Zo vergroten de strengere eisen aan pensioenfondsbestuurders en de introductie van nieuwe bestuursmodellen allebei de kans dat het pensioenfondsbestuur steeds meer aan (onafhankelijke) experts wordt overgelaten en minder door sociale partners zelf wordt gedaan.

De vrijheid en invloed van de sociale partners is de laatste jaren beperkt

Bovendien voelen pensioenfondsen (nu nog in ruime meerderheid bestuurd door sociale partners en hun vertegenwoordigers) zich ernstig beperkt in hun bewegingsvrijheid door de strenge financiële eisen van het financieel toetsingskader. Ten slotte heeft de nasleep van het laatste pensioenakkoord uit 2010 laten zien dat de staat ook geen eindeloos geduld heeft met sociale partners die niet tot een gezamenlijk hervormingsstandpunt kunnen komen. Ook nu kan de regering besluiten dan maar zonder hun steun het pensioenstelsel te gaan hervormen.

Lees ook: Vernieuwing pensioenstelsel: een overzicht

Het dilemma van een kapitaalgedekt systeem

De enorme (verplichte) opbouw van bedrijfspensioenreserves heeft geresulteerd in enorme investeringen van pensioenfondsen op de
aandelenmarkt: de Nederlandse pensioenfondsen behoren tot de grootste institutionele beleggers ter wereld. Gezien de historisch lage rentetarieven staan de fondsen sterk onder druk om zoveel mogelijk uit deze investeringen te halen en zich te concentreren op aandelen die de hoogste winst beloven te behalen.

Hoe goed werkt Nederland?

‘Hoe goed werkt Nederland?’ verschaft inzicht in de belangrijkste ontwikkelingen op de hedendaagse Nederlandse arbeidsmarkt en in de arbeidsverhoudingen. Hiermee geeft het boek diepgang aan het politieke en maatschappelijke debat over arbeid en sociale zekerheid. Ongelijkheid als sociaal en arbeidsmarktvraagstuk loopt als een rode draad door de hoofdstukken heen, waarbij er aandacht is voor verschillen en overeenkomsten tussen werkenden, bedrijven en sectoren.

Bestel het boek

De keerzijde is echter dat dit vaak aandelen betreft van private-equityfondsen of hedgefondsen die weinig belang hebben bij het effectief functioneren van bedrijven en economieën of bij het behoud van werkgelegenheid. Dit vormt een duivels dilemma voor de sociale partners die de pensioenfondsen besturen. Wanneer ze trachten het rendement van de pensioenbeleggingen te verhogen, lopen ze het risico om te beleggen in fondsen die indirect de positie van hun actieve leden ondermijnen.

Vooral vakbonden worstelen met dit dilemma en pleiten voor maatschappelijk verantwoorde beleggingsstrategieën van de pensioenfondsen. Voorbeelden die daarbij aangehaald worden, zijn Bayside Capital investing en Sun Capital, aandelenfondsen die investeerden in respectievelijk een groot kinderdagverblijf (ESTRO) en V&D. In beide gevallen leidde de betrokkenheid van de aandelenfondsen er uiteindelijk toe dat de bedrijven failliet gingen en veel banen verloren gingen. Tegelijkertijd hebben de verzwakte financiële positie van de fondsen en het verscherpte toezicht van DNB al geleid tot dalende pensioenen in een aantal sectoren, waardoor de druk op hogere rendementen is toegenomen.

Wat moeten fondsen wel en niet kunnen doen?

Dit is vooralsnog een onopgelost dilemma waar pas recentelijk serieus over wordt gediscussieerd. Het roept de vraag op wat de pensioenfondsen wel en niet zouden moeten en kunnen doen. Sommige van de voorstellen zijn dat er alleen geïnvesteerd zou moeten worden in langetermijns- en productieve ondernemingen, of dat investeringen veel meer op de Nederlandse economie gericht zouden moeten worden in plaats van wereldwijd. Wat opvalt aan het algehele debat is dat de afhankelijkheid van de vaak wispelturige financiële markten zelf zelden in twijfel wordt getrokken. Er lijkt een wijdverspreide verwachting te zijn dat de goede tijden van de aandelenmarkten van de jaren negentig zullen terugkeren. De mogelijkheid om de afhankelijkheid van het systeem op de financiële markten te verminderen is niet aan de orde, hoewel het na twee crises duidelijk is dat hun onvoorspelbaarheid ernstige gevolgen kan hebben voor pensioenfondsen en pensioenen.

Huidige en toekomstige ongelijkheidseffecten

Of het pensioenstelsel moet bijdragen aan meer of minder ongelijkheid is uiteindelijk een politieke keuze. Het is echter wel belangrijk om te beseffen op welke manieren het pensioenstelsel aan ongelijkheid bijdraagt of het in stand houdt. Uit de analyse naar ongelijkheidseffecten in het huidige pensioenstelsel is gebleken dat ten minste twee eigenschappen van aanvullende pensioenen bijdragen aan ongelijkheid. De eerste is de klassieke, bismarckiaanse koppeling van pensioenaanspraken in de tweede pijler aan het werkverband en arbeidsverleden van individuen, waardoor ongelijkheid gedurende het werkzame leven wordt vertaald naar ongelijkheid na pensionering. Om nog maar te zwijgen over hen die voor de pensioengerechtigde leeftijd niet of minder hebben gewerkt, of niet in loondienst hebben gewerkt.

Ten minste twee eigenschappen van aanvullende pensioenen dragen bij aan ongelijkheid

Mannen, vrouwen en migranten

Wanneer we kijken naar specifieke groepen hebben we gezien dat er grote verschillen in pensioenaanspraken (eerste en tweede pijler gecombineerd) bestaan tussen mannen en vrouwen en tussen personen met en zonder migratieachtergrond. Het verschil tussen mannen en vrouwen is ten opzichte van het verleden al verkleind door de hogere arbeidsmarktparticipatie van vrouwen. Om dezelfde reden zal dat verschil naar verwachting tot op zekere hoogte verder afnemen, hoewel vrouwen nog steeds in groten getale in deeltijd werken. Dat kan het verschil ook in de toekomst in stand houden. Het verschil tussen personen met en zonder migratieachtergrond is waarschijnlijk echter nog hardnekkiger, omdat zij én door een kortere verblijfsduur in Nederland minder rechten hebben op AOW, én mogelijk een kortere periode op de Nederlandse arbeidsmarkt actief zijn geweest.

Doorsneesystematiek

Vanuit een ongelijkheidsperspectief (en effectiviteitsperspectief) kunnen er ook kanttekeningen geplaatst worden bij een punt waar in het recente hervormingsdebat wél overeenstemming over is: de afschaffing van de doorsneesystematiek. Door deze afschaffing gaat voor jongere mensen een hoger opbouwpercentage gelden, dat gedurende de loopbaan geleidelijk afneemt (oftewel ‘degressieve opbouw’ van pensioenrechten). Het idee is dat het geld dat eerder wordt ingelegd langer de tijd heeft om te renderen en er dus voor die premie meer pensioen opgebouwd kan worden. De toename van flexibele arbeidscontracten aan het begin van de carrière heeft echter als gevolg dat deze jongeren juist in de periode dat ze geacht worden veel pensioen op te bouwen, dat niet kunnen doen omdat ze uitzendwerk verrichten, (tijdelijk) freelancen, of terug de schoolbanken in gaan.

Lees ook: Pensioenexperts: nieuw akkoord gaat werkgevers veel geld kosten

Ook voor vrouwen en migranten kan het afschaffen van de doorsneesystematiek en differentiëren van pensioenopbouw naar leeftijd risico’s met zich meebrengen. Voor vrouwen door tijdelijke afwezigheid van de arbeidsmarkt en/of deeltijdwerk in de vruchtbare leeftijd. En voor migranten door het pas op latere leeftijd betreden van de Nederlandse arbeidsmarkt. Hierdoor missen ook deze groepen de meest ‘lucratieve’ fase van pensioenopbouw, met lagere pensioenaanspraken tot gevolg. Volgens de recentste ontwikkelingen in het debat wordt wel vastgehouden aan een gelijke premie voor iedereen.

Lage organisatiegraad

Ten slotte draagt de manier waarop bedrijfstakpensioenfondsen gegrond zijn in de sectorale organisatie van de arbeidsverhoudingen bij aan ongelijkheid in pensioenaanspraken. Hoewel de uitzonderlijk hoge dekkingsgraad van cao’s in Nederland – en daarmee de uitzonderlijk hoge dekkingsgraad van pensioenfondsen – voor het grootste gedeelte van de beroepsbevolking een adequaat pensioen lijkt op te leveren, vallen de werknemers in ongeorganiseerde bedrijven en sectoren buiten de boot. De lage en dalende organisatiegraad en de moeite die het kost om nieuwe beroepsgroepen en sectoren te organiseren, baren daarbij zorgen.

Ongelijkheid binnen bedrijfstakpensioenfondsen

Daarnaast kan ook ongelijkheid tussen bedrijfstakken met verplicht gestelde pensioenfondsen ontstaan op basis van een aantal factoren. Variatie in machtsverhoudingen tussen sociale partners kan leiden tot verschillende afspraken over de verdeling van de lasten en de opbrengsten binnen het pensioenfonds. Ook demografische verschillen tussen pensioenfondsen (leeftijd en geslacht) kunnen ongelijkheid vergroten. Door mannen gedomineerde sectoren (met over het algemeen ook hogere lonen) zouden bijvoorbeeld betere regelingen kunnen treffen. Jongere sectoren kunnen hun premies langer laten renderen dan vergrijsde fondsen. En sectoren met een gelijkmatige leeftijdsopbouw kunnen meer stabiliteit bieden.

Door mannen gedomineerde sectoren zouden betere regelingen kunnen treffen

Werkgelegenheid in een sector, economische welvaart en de contracttypen die sectoren hanteren hebben ook invloed op de mogelijkheid van pensioenfondsen om op een solidaire manier risico’s te delen en (via premies) vermogen op te bouwen. Het succes van de beleggingsstrategie kan ook verschillen tussen pensioenfondsen, met verschillen tussen pensioenuitkeringen tot gevolg.

Verschillende afspraken per groep

Ten slotte kunnen pensioenfondsen verschillende afspraken maken die verschillend uitpakken voor bepaalde groepen deelnemers, zoals over de pensioenbijdragen, de franchise, of de leeftijd waarop je begint pensioen op te bouwen. Zo zijn jongeren beter af wanneer een pensioen een lagere leeftijd hanteert vanaf wanneer je kunt deelnemen aan een pensioenfonds. Werknemers met lagere salarissen zijn beter af (qua pensioen) met een lagere franchise. Verder zijn er verschillen tussen fondsen in de hoogte van de werkgeversbijdrage aan het pensioen.

Dit artikel is een ingekorte versie van het hoofdstuk over pensioenen uit ‘Hoe goed werkt Nederland?’. Het boek is te bestellen in de webshop van Vakmedianet

Reageer op dit artikel