artikel

5 belangrijke pensioenvragen aan en voor HR

Instroom

Pensioen blijft ook voor HR-professionals vaak een ingewikkeld onderwerp. Pensioenspecialist Robbert van Woerden zet de vijf belangrijkste pensioenvragen aan en voor HR op een rijtje.

5 belangrijke pensioenvragen aan en voor HR

1. Welke informatie moet een werkgever verstrekken over pensioen?

De rol van de werkgever is vooral belangrijk bij life-events. Dus bij indiensttreding, uitdiensttreding, trouwen, scheiden, overlijden en arbeidsongeschiktheid. Werkgevers behoren nieuwe werknemers tijdens het arbeidsvoorwaardengesprek te informeren over de kenmerken van de pensioenregeling. De werkgever doet de werknemer dan een pensioenaanbod. Omdat de werkgever vaak als eerste op de hoogte is van belangrijke veranderingen in het leven van de medewerkers (de life-events) heeft hij een signaalfunctie en moet hij de werknemer actief informeren over de gevolgen van deze gebeurtenissen op zijn pensioen.

Keuzes

Er zijn handige checklists beschikbaar om dergelijke informatie te geven (zie bijvoorbeeld deze checklist). Het komt ook vaak voor dat werkgevers het geven van deze informatie uitbesteden aan een pensioenadviseur. Deze geeft dan alle benodigde informatie aan de werknemer bij indiensttreding. Als er keuzemogelijkheden zijn in de pensioenregeling, dan kan een adviseur de werknemers ook in detail aangeven wat de gevolgen zijn van een bepaalde keuze. Denk hierbij aan keuzes voor een Anw-hiaatpensioen of voor een variabele of vaste pensioenuitkering in een beschikbare premieregeling.

2. Wanneer is waardeoverdracht zinvol?

De werkgever moet de werknemer bij in- en uitdiensttreding wijzen op zijn recht op waardeoverdracht. Hij hoeft de werknemer niet te adviseren of een waardeoverdracht wijs is. Dat is overigens geen eenvoudige vraag. In mijn ervaring is het in minder dan de helft van de situaties gunstig. Een paar factoren die een rol spelen zijn:

  • het pensioensysteem van de oude en de nieuwe pensioenuitvoerder
  • indexatiekansen
  • leeftijd
  • In geval van overdrachten van en naar een beschikbare premieregeling de kosten en de kwaliteit van de beleggingen
  • de rekenrente bij de nieuwe pensioenverzekeraar

Praktijkgids Pensioenen

Praktijkgids Pensioenen

In de wet is exact bepaald hoe de overdrachtswaarde moet worden vastgesteld. Stel dat een medewerker € 5.000 levenslang ouderdomspensioen heeft opgebouwd en dat de overdrachtswaarde hiervoor € 56.780 bedraagt. In beginsel krijgt de werknemer in de nieuwe regeling ook € 5.000 levenslang ouderdomspensioen. Stel dat de nieuwe verzekeraar op basis van zijn tarieven geld overhoudt (bijvoorbeeld omdat deze maar € 50.000 hiervoor nodig heeft). Dan zal de verzekeraar het pensioen van de werknemer met dit overschot verhogen. Ontvangt hij te weinig, dan krijgt de werknemer toch € 5.000 ouderdomspensioen. In dat geval zal de werkgever het tekort in beginsel moeten bijbetalen. Let op: bij een overdracht naar een pensioenfonds vervalt dit overschot of tekort aan het nieuwe pensioenfonds.

Andere voorbeelden over wanneer waardeoverdracht zinvol is vind je in de Praktijkgids Pensioenen (hoofdstuk 4.6.2.1).

3. Hoe zit het nu met kortingen van pensioen?

Pensioenen die opgebouwd zijn mogen in beginsel niet worden verlaagd (artikel 20 Pensioenwet). Belangrijkste uitzondering is de bepaling in artikel 134 Pensioenwet. Die stelt dat een pensioenfonds in geval van een te lage beleidsdekkingsgraad opgebouwde pensioenaanspraken mag korten. Dit geldt alleen voor fondsen. Verzekeraars mogen nooit korten.

De minimaal vereiste dekkingsgraad geeft de minimaal benodigde buffer weer

De dekkingsgraad geeft een indicatie of een pensioenfonds nu en in de toekomst de pensioenen kan uitbetalen. De dekkingsgraad wordt berekend door alle bezittingen van het pensioenfonds te delen door de pensioenverplichtingen (de pensioenaanspraken van alle deelnemers). De dekkingsgraad wordt uitgedrukt in een percentage. Voor de meeste fondsen geldt dat de minimaal vereiste dekkingsgraad 104,5 procent is.

De minimaal vereiste dekkingsgraad geeft de minimaal benodigde buffer weer. Als de beleidsdekkingsgraad hieronder komt, is er sprake van een dekkingstekort. Het fonds heeft dan te weinig vermogen om de pensioenen in de toekomst uit te kunnen betalen. Indien de beleidsdekkingsgraad gedurende vijf jaar onder de minimaal vereiste dekkingsgraad blijft, moet het pensioenfonds de opgebouwde pensioenaanspraken verminderen (korten). Na het korten moet de beleidsdekkingsgraad gelijk zijn aan de minimaal vereiste dekkingsgraad.

Lees ook wat pensioenombudsman Henriëtte de Lange HR adviseert: ‘HR moet werknemers actiever informeren over pensioen’

Langer uitkeren

In de praktijk begrijpen de meeste werknemers en gepensioneerden niet hoe het mogelijk is dat er zoveel geld is bij pensioenfondsen en dat er toch daadwerkelijk sprake is van soms forse tekorten. Dit komt vooral door de verplichtingen. De gemiddelde verwachte levensduur is in Nederland fors gestegen, waardoor de pensioenen langer moeten worden uitgekeerd. Daarnaast moeten fondsen rekenen met een risicovrije rente. Vaak wordt gedacht dat deze bijna negatief is. Dat is niet waar. Een belangrijk deel van de totale rekenrente is gebaseerd op de zogenoemde Ultimate Forward Rate (UFR). Die staat nu op circa 2 procent. Daarnaast rekenden pensioenfondsen in hun herstelplannen de afgelopen jaren bijna allemaal met de maximaal toegestane rendementen. Het is niet raar dat die rendementen niet gehaald zijn en er dus nog steeds sprake is van tekorten.

4. Zit ons bedrijf bij de juiste pensioenuitvoerder?

In Nederland zijn er veel bedrijfstakpensioenfondsen die verplicht zijn voor iedere werkgever uit de bedrijfstak. Werkgevers in een verplicht gestelde bedrijfstak hebben geen keuze. Soms is het heel duidelijk. Alle ambtenaren bouwen pensioen op bij het ABP; verpleegkundigen bij Zorg en Welzijn. Maar heel vaak is het niet duidelijk. Veel detacheringsbedrijven nemen verplicht deel aan de pensioenregeling van het StiPP, maar niet alle detacheringsbedrijven hebben deze verplichting. Het ene bedrijf dat producten verkoopt met een metaalcomponent erin moet wel deelnemen aan de pensioenregeling bij het Pensioenfonds voor de Metaal en Technische bedrijfstakken, het andere niet omdat de bedrijfsactiviteiten op soms kleine onderdelen verschillen.

Wat betekent de WAB voor pensioenen?

Wat betekent de WAB voor pensioenen?

Het is heel erg belangrijk om deel te nemen aan het juiste bedrijfstakpensioenfonds. Wanneer een bedrijf verplicht moet deelnemen maar dit niet doet en het pensioenfonds komt daarachter, dan kunnen de eigenaren van het bedrijf zelfs (als privépersoon) hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld. Het is derhalve van groot belang om uit te laten zoeken of je organisatie verplicht is deel te nemen aan een verplicht gesteld pensioenfonds.

5. Kan ik eenzijdig een pensioenregeling versoberen?

Pensioen is een arbeidsvoorwaarde. Fiscaal is pensioen niets anders dan uitgesteld loon. In beginsel zal er bij een wijziging overeenstemming moeten zijn tussen werkgever en werknemer. Uiteraard zal een werknemer niet zomaar akkoord gaan met een versobering. Om deze reden zoeken werkgevers vaak naar mogelijkheden om de toekomstige pensioenopbouw eenzijdig (dus zonder akkoord van de werknemers) te versoberen. Dit mag alleen als er sprake is van een zogenaamd zwaarwichtig belang van de werkgever, een bijzondere situatie waarin het belang van de werknemer mag wijken naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.

Lees ook: Rechter: indexatie pensioen wijzigen mag niet

Wanneer is het belang van de werkgever zwaarwichtig genoeg? Deze toets is in de praktijk voor de werkgever lastig. Als de werkgever bij ongewijzigde voortzetting in betalingsproblemen komt, dan kan wellicht zo’n zwaarwegend belang worden aangetoond, maar het gaat vaak mis.

Robbert van Woerden

Een voorbeeld daarvan is de verhoging van de pensioenleeftijd naar 68 jaar. Werkgevers hebben dit vaak doorgevoerd met het argument dat de fiscus nu eenmaal regels heeft opgesteld over de maximale hoogte van het pensioen. Fiscale regelgeving werkt echter niet door in het arbeidsrecht. Het verhogen van de pensioenleeftijd (zonder nadere aanpassingen) leidde vaak tot een verlaging van de pensioenopbouw van 5 procent. Er is door de fiscale wijziging misschien een zwaarwegend belang om de pensioenregeling aan te passen; er is niet zomaar een zwaarwegend belang om de waarde van het arbeidsvoorwaardenpakket te verlagen. Om deze reden hebben veel ondernemingen er toch voor gekozen om de werknemers te compenseren voor hun verlies aan pensioenopbouw.

Robbert van Woerden is senior pensioenspecialist en partner bij Themis Pensioen Professionals

Reageer op dit artikel