nieuws

Kabinet houdt vast aan snelle invoering WAB

Arbeidsrecht

Minister Koolmees van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gaat er nog steeds vanuit dat de Wet arbeidsmarkt in balans (WAB) op 1 juli 2019 tot wet wordt verheven. Volgens de minister is uitstel niet nodig, ondanks de grote hoeveelheid bezwaren die heersen bij de sociale partners en de politiek.

Kabinet houdt vast aan snelle invoering WAB
Minister Wouter Koolmees van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | Foto: Rijksoverheid

Dat blijkt uit de antwoorden die de minister geeft op de vragen van de Eerste Kamer. Vooral senatoren van coalitiepartij VVD tonen zich uiterst kritisch over de WAB. Koolmees erkent dat het nuttig is om de Wet werk en zekerheid te evalueren, maar stelt dat de knelpunten op de arbeidsmarkt zo ernstig zijn dat de aanpak daarvan geen uitstel duldt.

Lees ook: WAB zwaar bekritiseerd in Eerste Kamer

• Payroll

Als de WAB in zijn huidige vorm wordt ingevoerd, moeten alle ondernemingen bepalen of zij uitzend- of payrollkrachten in dienst hebben. Het meest duidelijke verschil zit hem in de allocatiefunctie: als de formele werkgever de arbeidskracht zelf heeft geworven en geselecteerd, is er sprake van een uitzendrelatie. Als de inlener de werknemer zelf heeft geworven en geselecteerd en alleen het formele werkgeverschap uit handen geeft, dan is er sprake van een payrollrelatie.

Dat is van belang omdat de WAB de regels voor payroll aanscherpt, lees: duurder maakt. Werknemers die op payrollbasis werken, krijgen minimaal dezelfde arbeidsvoorwaarden als de werknemers die in dienst zijn bij de opdrachtgever. Ook krijgen ze recht op een adequaat pensioen. De definitie van een uitzendovereenkomst wordt niet gewijzigd.

Lees ook: WAB: wat te doen met het pensioen van de payroller?

Kostenverhoging

Naar aanleiding van vragen van de VVD erkent minister Koolmees dat de WAB payrolling duurder maakt, maar hij vindt dat de ontzorgingsfunctie voor kleine ondernemers hiermee niet wordt ondermijnd. “Het werkgeverschap kan nog steeds door de payrollwerkgever worden uitgevoerd. Dat door payrollbedrijven aan inleners ook een bijdrage wordt doorberekend voor het vervullen van deze functie vindt de regering vanzelfsprekend. Nu payrollbedrijven een aanvullende dienst aan inleners leveren is het ook logisch dat deze dienstverlening door de inleners aanvullend bekostigd wordt.”

Geen uitstel nodig

Als WAB op 1 januari 2020 van kracht wordt – zoals de regering voor ogen staat – dan moeten werkgevers voor die tijd bepalen of zij uitzend- of payrollkrachten in dienst hebben. Dat hoeft volgens Koolmees niet op onoverkomelijke bezwaren te stuiten, mits de wet op tijd wordt aangenomen. Dat hangt af van de Eerste Kamer. Op 5 februari 2019 stemde de Tweede Kamer al in met de WAB.

Koolmees schrijft: “De regering is van mening dat met een voorziene inwerkingtredingsdatum van 1 januari 2020 de verschillende partijen voldoende tijd hebben om zich voor te bereiden op de nieuwe wetgeving. Als het wetsvoorstel rond 1 juli a.s. tot wet verheven en bekend gemaakt kan worden, zullen partijen een half jaar hebben om dit in de software, de arbeidscontracten en de overeenkomsten met opdrachtgevers te regelen.”

• Oproepkrachten

Ook over de positie van oproepkrachten hebben de Eerste Kamerleden nog de nodige vragen. De WAB beoogt de positie van oproepkrachten te versterken. Zo moet een werkgever oproepkrachten na twaalf maanden een aanbod doen voor een vast aantal uren. Een werkgever moet een oproepwerknemer minstens vier dagen van tevoren oproepen. Ook houden oproepkrachten recht op loon als het werk minder dan vier dagen van tevoren wordt afgezegd. De termijn van vier dagen kan bij cao wel worden verkort tot één dag.

Loonvordering

De VVD vreest dat oproepkrachten niet meer worden opgeroepen, wanneer zij hun werkgever houden aan de nieuwe strengere regels. Koolmees erkent dat oproepkrachten niet altijd een goede uitgangspositie hebben om hun rechten te halen, bijvoorbeeld als ze afhankelijk zijn van hun werkgever.

Toch denkt hij dat oproepkrachten voldoende bescherming genieten. Een werkgever die oproepkrachten aan de kant laat staan wanneer zij gebruik willen maken van hun rechten, kan zich schuldig maken aan slecht werkgeverschap. Koolmees verwijst daarbij naar de Hoge Raad. Deze heeft eerder gesteld dat het niet oproepen van een oproepkracht, zonder daarvoor een goede reden te hebben, kan leiden tot het toekennen van een loonvordering over de niet-opgeroepen uren. Een dergelijke loonvordering kan tot vijf jaar na dato worden ingesteld.

• Transitievergoeding

Transitietool

Wanneer heeft een werknemer recht op een transitievergoeding en hoe hoog is die vergoeding? Met de tool van PW. komt u eenvoudig tot een betrouwbare berekening.

Naar de transitietool

Onder de WAB hebben werknemers vanaf de eerste dag recht op een transitievergoeding. De transitievergoeding wordt echter lager bij langere dienstverbanden. Zo moet moet het verschil tussen flexwerk en vast werk kleiner worden. Het kabinet wil het zo aantrekkelijker maken voor werkgevers om werknemers een vast contract aan te bieden.

Oudere werknemers

CDA en PvdA maken zich zorgen over wat dit betekent voor oudere werknemers die kort voor het einde van hun loopbaan worden ontslagen. De transitievergoeding heeft immers ook een scholingsaspect dat ervoor moet zorgen dat de overgang van werk naar werk makkelijker wordt. Dit kan juist voor oudere werknemers de kansen op een nieuwe baan vergroten.

Koolmees schrijft dat inzet op duurzame inzetbaarheid en scholing van werknemers op meerdere manieren kan plaatsvinden. “Dit kan via de transitievergoeding na afloop van het dienstverband, maar effectiever is om nog tijdens het dienstverband in te zetten op duurzame inzetbaarheid.”

Het kabinet heeft de ambitie om leven lang ontwikkelen (LLO) te stimuleren. Koolmees: “Als LLO een vanzelfsprekend onderdeel is van het werk, kan tijdig worden ingespeeld op veranderingen die van invloed zijn op de benodigde kennis en vaardigheden.”

Het kabinet werkt daarnaast aan een wetsvoorstelwaarmee voor oudere werknemers die net voor het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd worden ontslagen, het bestaande vangnet van de Wet inkomensvoorziening voor oudere werknemers (IOW) wordt uitgebreid.

• Flexibel werk

Niet alleen het feit dat het recht op de transitievergoeding voortaan vanaf dag één ingaat, maakt flexibel werk duurder. Ook het feit dat werkgevers voor flexwerkers een hogere WW-premie gaan betalen, doet de kassa rinkelen.

Schijnzelfstandigheid

De VVD vraagt zich af of de minister zich zorgen maakt over de mogelijkheid dat werkgevers kiezen voor schijnzelfstandigen om de hogere kosten voor flexwerk te vermijden. Koolmees voorziet dat er inderdaad een waterbed-effect zal optreden, maar denkt dat dit beheersbaar zal zijn. Koolmees belooft nog voor de zomer te komen met plannen om kwetsbare zelfstandigen te beschermen.

Uitzondering voor studenten

D66 wil graag een uitzondering voor werknemers die zelf graag zo flexibel mogelijk willen zijn en die helemaal niet zitten te wachten op bescherming van flexwerkers. De partij wil deze uitzondering koppelen aan inschrijving bij een onderwijsinstelling (WO/HBO/MBO/VO/VMBO) inplaats van leeftijd. Werkgevers zouden studenten en scholieren een oproepcontract moeten kunnen geven, zonder dat ze een hogere WW-premie moeten betalen.

Volgens Koolmees zijn er wat betreft premiedifferentiatie in de WW voldoende mogelijkheden om voor jongeren met bijbanen een uitzondering te maken. “Hierdoor wordt de eerste stap op de arbeidsmarkt voor jongeren, waaronder studenten en scholieren, niet onnodig belemmerd. Bovendien sluit deze uitzondering voor jongeren met bijbanen aan op bestaande gegevens in de loonaangifte; daarmee is deze beter uitvoerbaar dan een uitzondering op basis van inschrijving bij een onderwijsinstelling.”

Ook als het gaat om oproepcontracten wil Koolmees geen uitzondering maken op basis van inschrijving bij een onderwijsinstelling. De regering is het met de leden van de D66-fractie eens dat sommige studenten en scholieren waarschijnlijk maximale flexibiliteit wensen in hun contract. Daarom regelen de oproepmaatregelen dat het de werknemer nog steeds vrij staat om te komen, ook al is te laat opgeroepen, en dat de werkgever na twaalf maanden een aanbod moet doen, maar dat deze studenten en scholieren ook kunnen besluiten om op een oproepcontract te blijven werken als zij dit wenselijk vinden. Om deze redenen is er niet gekozen voor een wettelijke uitzondering. Een dergelijke uitzondering zou ertoe leiden dat ook jongeren worden uitgezonderd die in hun levensonderhoud moeten voorzien, bijvoorbeeld studenten die niet worden onderhouden door hun ouders, of studenten die een gezin onderhouden.”

Lees ook: WAB nog geen gelopen race


Vond u dit een interessant artikel?

Abonneer u nu op onze nieuwsbrief en ontvang twee keer per week gratis het laatste nieuws, tips en achtergronden voor HR-professionals in uw mailbox. Meer dan 20.000 vakgenoten gingen u voor.

Reageer op dit artikel