Recht op onbereikbaarheid of recht op een gesprek?

Misschien ken je het wel: om 23:00 uur 's avonds krijg je een mailtje van je leidinggevende, met een paar prangende vragen over het werk. Word je nu verondersteld om direct te antwoorden of kan het wachten tot morgen? In het najaar buigt de Tweede Kamer zich over het initiatiefwetsvoorstel: het recht op onbereikbaarheid. En dan zijn dit soort dilemma's de wereld uit. Of toch niet?

Het recht op onbereikbaarheid. Het is de titel waarmee het initiatiefwetsvoorstel van PvdA-Kamerlid Gijs van Dijk nog steeds regelmatig wordt aangeduid. Verrassend dus dat die naam recentelijk is gewijzigd, en wel in: ‘Wetsvoorstel over het aangaan van een gesprek tussen werkgever en werknemers over bereikbaarheid buiten werktijd.’ Minder catchy, maar toch scherper geformuleerd. Van een wettelijk recht op onbereikbaarheid buiten werktijd is namelijk geen sprake. Het gaat erom dat tussen werkgever en werknemer duidelijk wordt hoe het zit met verwachtingen rondom bereikbaarheid.

Die naamsverandering illustreert het moeizame traject. Het wetsvoorstel werd al ingediend eind 2020. Het ging om enkele wijzigingen in de geldende Arbeidsomstandighedenwet, en de verwachting was dat die op 1 januari 2021 zouden worden ingevoerd. Dat die datum niet werd gerealiseerd, lag onder andere aan de extreem lange kabinetsformatie, maar ook aan de kritiekpunten van adviserende organen. Onder andere: waarom spreken van een recht op onbereikbaarheid, als je alleen afdwingt dat werkgevers en werknemers hier gesprekken over voeren? Vandaar de naamsverandering.

Inhoud van het wetsvoorstel

Wat is op dit moment de status en inhoud van het initiatiefwetsvoorstel? De belangrijkste punten op een rij:

  • Allereerst de aanleiding: de coronacrisis. Die zorgde voor een hausse in het thuiswerken, en volgens initiatiefnemer Van Dijk is de grens tussen werk en privé hiermee verder vervaagd. Mensen worden verondersteld altijd bereikbaar, altijd aan het werk te zijn. Zo komt het voor dat leidinggevenden ’s avonds laat of in het weekend nog een werkgerelateerd mailtje sturen. En veel werknemers voelen zich dan verplicht meteen te reageren. En dat terwijl het voor onze gezondheid juist heel belangrijk is dat we het werk af en toe los kunnen laten. Zonder dit wetsvoorstel zou het aantal burn-outpatiënten wel eens verder kunnen oplopen, terwijl de teller nu al staat op 1,3 miljoen. Aldus de initiatiefnemer.
  • Dan het voorstel zelf. Het gaat hier niet om een heel nieuwe wet, maar om enkele aanpassingen in de Arbeidsomstandighedenwet. Zo worden werkgevers verplicht om het werken buiten kantooruren op te nemen als mogelijk risico in hun risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E). Preciezer geformuleerd: in de RI&E wordt vastgelegd hoe de rusttijd als bedoeld in artikel 5.3 van de Arbeidstijdenwet door de werkgevers wordt gewaarborgd. En het allerbelangrijkst: zij moeten hierover een gesprek aangaan met de werknemers, of met de ondernemingsraad of vakbonden. En de werkgever moet kunnen aantonen dat hij dit gesprek werkelijk heeft gevoerd. Zo moet hij bijvoorbeeld beschikken over een schriftelijk verslag.
  • Zoals gezegd, de naam van de wet is veranderd. En de nieuwe titel dekt de lading veel beter, want als werkgevers dadelijk toch buiten kantooruren een werkgerelateerde mail sturen, worden ze daar niet voor gestraft. Alles wat ze moeten doen, is de bereikbaarheid van werknemers buiten werktijd regelen in het arbobeleid. Laten ze dat na, dan kan de Inspectie SZW een waarschuwing geven. Pas in extreme gevallen – als de werkgever bijvoorbeeld de RI&E niet op orde heeft – volgt er een boete.