Wat speelde er?
De werknemer werkt, met tussenkomst van een uitzendbureau, sinds 2015 als afwasser in een restaurant. In maart 2024 meldt hij zich ziek vanwege rugklachten. De bedrijfsarts schrijft in de terugkoppeling dat de medewerker een specialistische behandeling krijgt en dat hij zeer forse medische klachten en beperkingen heeft. De verwachting is dat de belastbaarheid over een langere periode zal toenemen.
Desondanks wordt de re-integratie opgestart. De bedrijfsarts vindt hem daar te ziek voor en zet de re-integratie in september weer on hold. Maar de werkgever, het uitzendbureau, twijfelt over de ziekmelding en schakelt een recherchebureau in. Die maakt videobeelden van de werknemer, waarop te zien is dat hij 'nagenoeg kruipend' bij de bedrijfsarts naar binnengaat, maar dat buiten het zicht niets met hem aan de hand lijkt te zijn.
In november 2024 wordt de werknemer uitgenodigd voor een gesprek op kantoor met de manager, een medewerker van het recherchebureau en de advocaat van het uitzendbureau. De werknemer belt zijn (inmiddels ex-)vriendin, die als tolk optreedt.
Ontslag op staande voet of vaststellingsovereenkomst
De werknemer wordt geconfronteerd met de opnames. De werkgever verwijt hem dat hij zijn klachten stelselmatig heeft overdreven en daarmee de werkgever en de bedrijfsarts heeft misleid. Hij krijgt de keuze: ontslag op staande voet of een vaststellingsovereenkomst ondertekenen. Daarbij wordt hem uitgelegd dat hij een WW-uitkering kan krijgen van UWV, als hij de overeenkomst tekent.
De werknemer tekent de vaststellingsovereenkomst ter plekke en vraagt de uitkering aan. Maar UWV kent hem de uitkering niet toe, omdat hij ziek is. Normaliter zou hij aanspraak kunnen maken op een ziektewetuitkering, maar niet als hij een vaststellingsovereenkomst heeft getekend. "Als je tijdens ziekte meewerkt aan je ontslag, dan spreekt UWV van benadelingshandeling en kan het besluiten om je de uitkering niet toe te kennen", licht Pascal Willems, arbeidsrechtadvocaat bij WVO Advocaten, toe.
Oordeel van het hof
De werknemer vindt dat hij door zijn werkgever op het verkeerde been is gezet. Hij wil dat zijn vaststellingsovereenkomst wordt vernietigd, zodat hij een uitkering kan aanvragen. Hij wil nadrukkelijk niet dat zijn ontslag wordt teruggedraaid, maar hij vindt wel dat zijn arbeidsovereenkomst op een onrechtmatige wijze is beëindigd en dat er sprake is van dwaling.
Bewuste dwaling
De kantonrechter wijst het verzoek van de werknemer af en veroordeelt hem tot het betalen van de proceskosten. Maar de werknemer procedeert door tot het hof in Den Haag. Het hof geeft de werknemer wél gelijk: de vaststellingsovereenkomst is onder invloed van dwaling tot stand gekomen. De werkgever en de advocaat die aanwezig waren bij het gesprek met de werknemer, hadden moeten weten dat de werknemer geen recht heeft op een WW-uitkering als hij tijdens ziekte een vaststellingsovereenkomst tekent. Zij hadden hem daarop moeten wijzen, zo oordeelt het hof.
"Het is niet chic – en zo blijkt – ook niet verstandig om het niet te zeggen", zegt Willems, "maar het kan een tactiek zijn geweest om de werknemer onder druk te zetten en over te halen om de vaststellingsovereenkomst te tekenen. Als de werknemer het erbij had gelaten, dan was de werkgever van hem af geweest. Maar het kan dus ook tegen je werken, zoals deze zaak laat zien."
Zware druk
Ook rekent het hof het de werkgever zwaar aan dat het gesprek met de werknemer plaatsvond met '3 personen van (enige) status, tegenover de werknemer – alleen'. "Er lijkt sprake te zijn van zware druk en een disbalans", aldus het hof. Ondanks de bedenktermijn van 14 dagen bij een vaststellingsovereenkomst, heeft de werknemer niet de kans gekregen om juridische bijstand in te roepen, omdat hij de taal niet spreekt en op het verkeerde been is gezet met de belofte van een WW-uitkering.
Tekst gaat verder onder de video
Medisch oordeel
Tot slot wijst de rechter de werkgever erop dat hij geen medisch oordeel mag vellen, ook niet met de bevindingen van het recherchebureau in de hand. De werkgever had een (her)beoordeling van de werknemer kunnen aanvragen of onafhankelijk advies bij UWV kunnen inwinnen over de arbeidsongeschiktheid. "Bovendien had de werkgever minder ingrijpende arbeidsrechtelijke maatregelen kunnen treffen, zoals opschorting van het salaris", aldus het hof.
Willems: "Het is begrijpelijk dat wanneer je als werkgever aanwijzingen krijgt dat een werknemer zijn klachten ernstiger doet voorkomen dan daadwerkelijk het geval is, je in je emotie schiet. Maar probeer je geduld te bewaren en handel zorgvuldig. Deze werkgever nam met zijn aanpak het risico, maar heeft zich daarmee in de eigen voet geschoten."
Het hof oordeelt dat de werkgever een billijke vergoeding moet betalen van € 32.782, een transitievergoeding van € 7.427, plus de proceskosten. In totaal komt dat neer op € 44.761.
Meer over deze rechtszaak, plus duiding en tips van arbeidsrechtadvocaat Willems hoor je in de podcast HR-Rechtspunt.
Nieuwe aflevering: elke eerste woensdag van de maand
Deze podcast is onderdeel van een serie. Nieuwe afleveringen verschijnen iedere laatste woensdag van de maand. De volgende aflevering komt uit op woensdag 24 juni 2026.
Volg de (gratis) podcast HR-Rechtspunt
Volg deze HR-Rechtspunt podcast op Spotify en Apple Podcasts. Je kunt daar deze en eerder uitgezonden afleveringen gratis beluisteren. Volg ook het Spotifykanaal van PW.
















